Kies Lettergrootte: aaa ?
Het handschrift “Ommelands Eer”


Het handschrift “Ommelands Eer”
Van Pater Franciscus Mijleman S.J.
Missionaris der Ommelanden
1639 – 1667

Het vierde kwart van de zestiende eeuw was voor het Thesinger klooster Germania een zware tijd. In de jaren tachtig van die eeuw werd het klooster drie maal overvallen. In 1581 werd na een overval door de geuzen een aantal nonnen in gevangenschap weggevoerd; in 1582 is er sprake van plundering door Spaanse soldaten en in 1584 werd het klooster na een overval vrijwel geheel verwoest. Tien jaar later vindt op 22 juli de Reductie van Groningen plaats: de capitulatie van de stad Groningen voor het leger van Maurits van Oranje en Willem Lodewijk van Nassau-Dillenberg; het luidde de overgang in van Stad en Ommelanden naar het nieuwe protestantse bewind, gevolgd door de onteigening van alle bezittingen van de Rooms Katholieken.

oe-mauritsvanoranje.pngoe-willemlodewijk.png
Maurits van Oranje (links) en Willem lodewijk van Nassau-Dillenburg (rechts)

Het klooster Germania bezat eind zestiende eeuw ongeveer 1400 hectare; het grondbezit was geconcentreerd in Bedum, Garmerwolde, Lellens, Menkeweer, Onderwierum, Ten Boer en Thesinge. Onder Garmerwolde bezat de abdij het Rogghenvoorwerk en onder Kantens het voorwerk Barghuus.

Artikel 6 van het Tractaat van Reductie bepaalde “…dat binnen der stadt Groeninghen ende Landen gheen ander religie geëxerceert zal worden dan de gereformeerde religie, zulcx als die jegenswoordelick in de geünieerde provincien openbaarlick geëxerceerd wordt, mitz dat nyemandt in sijn consciëntie oft gewissen zal worden geinquireert, ondersocht of beswaert.

Er is op papier sprake van grote verdraagzaamheid, maar in de praktijk kwam hier bitter weinig van terecht; een collega en tijdgenoot van Pater Mijleman, Pater Joannes Matthias van der Velde S.J. doet verslag van intimidatie, berovingen, vernielingen en heksenjacht op eventueel verborgen priesters (Bron: Narratio Historica, Archief Aartsbisdom Utrecht).

De Orde der Jezuieten nam op zich de verplichting om in de Noordelijke Nederlanden het katholicisme te laten voortbestaan en uit te breiden. In 1556, bij de dood van de stichter Ignatius van Loyola, telde de orde reeds 1000 leden. De Nederlands sprekende jezuïeten in de Vlaams-Belgische provincie namen de zorg voor de noordelijke Nederlanden op zich, waaronder Pater Mijleman.

Wie was Pater Franciscus Mijleman?
Hij werd op 15 maart 1610 geboren te Brugge. Van 1621 – 1627 volgde hij bij de Jezuiten onderwijs aan het gymnasium. Een studie aan de universiteit van Douay volgde. Na een eervolle afsluiting keerde hij terug naar Brugge om onderwijs te gaan geven. Vanwege zijn grote begaafdheid werd hem toestemming verleend theologie te gaan studeren. Na een aantal jaren besloot hij in te treden in de Orde der Jezuiten. Hij werd in 1636 ingewijd en op 28 december 1639 kwam hij in de Ommelanden aan om daar Pater Thaddaeus Wieringa (stammende uit een voorname Groninger familie) te vervangen. Pater Mijleman heeft 27 jaar in de Ommelanden gewerkt. Door het (roomse) volk werd hij Pater Frans of Oom Frans genoemd. Naast zijn missionariswerk heeft hij zich ook verdienstelijk gemaakt als schrijver: er verschenen vijf boeken in druk, twee theologieboeken en drie zangbundels.

Op 17 januari 1667 stierf Oom Frans op de bij Usquert gelegen borg Holwinde, behorende aan de familie Van Heerma. Zijn lichaam werd in de familiegrafkelder van de Van Heerma’s bijgezet.

Het handschrift “Ommelands Eer”.
Naast zijn vijf reeds genoemde werken liet Pater Mijleman een zeer merkwaardig handschrift na. Het boekwerkje bevat 68 bladzijden, waarvan blz. 20, 21 en 68 onbeschreven bleven. Blijkens de dateringen van inleiding en slot werd het geschreven tussen 13 en 19 mei 1664.
“Ommelands Eer” verscheen niet in druk; er zijn vier kopieën bekend, die uiteindelijk allemaal afkomstig zijn uit Uithuizen. Het Rijksarchief Groningen bezit een exemplaar van de hand van Pater Mijleman zelf; de auteur vermeldt dat het boekje een perkamenten omslag heeft uit een koorboek van het klooster Oldenclooster.

De inhoud.
In de inleiding geeft Pater Mijleman aan waar zijn “Ommelands Eer” over zal gaan: “….Ten dien eijnde dan sal ick dit wercksken – om geen confusie te veroorsaecken – in vijf deelen verdeelt, den goedwilligen catholijcken voorstellen.”.

Hij beschrijft dan uitvoerig wat in ieder deel zal worden besproken. In het eerste deel geeft hij uitleg over de positie van het rooms-katholieke geloof in de omliggende landen en de Ommelanden in het bijzonder. Met weemoed denkt hij terug aan gelukkiger tijden, waarin het een na het andere klooster werd gesticht en vele kerken werden gebouwd. “Och! Wat al godsdiensticheijdt in deselve aleer! Wat een eenicheijdt in religie. Wat een ijver der apostolische mannen. Wat een mildaedicheijdt van de inwoonderen tot het stigten van kercken en cloosters, soo menig in getal, soo kostelijck, soo magnifieck!” In zijn tijd is voor hem het onkruid (lees: ketterij) tussen de tarwe (het katholicisme) opgekomen, de verwoestinge van den Ommelandschen schoonen en plaisierigen acker.

Toch is hij vol optimisme. Tenslotte is het goede zaad ooit gezaaid en het geloof is sterk genoeg om tegenslag te overwinnen.

In het tweede deel geeft hij uitleg over hoe, wanneer en door welke oorzaken de ‘ketterij van Calvijn’ de overhand kon krijgen in de Stad Groningen en de Ommelanden. Luther, Calvijn, Menno krijgen ervan langs, maar ook de adel, waarvan hij zei dat ze: “… zich meest verzopen in wellusten ende dronckenschappen ende hadde geckelijcke inbeeldinge ende gevoelen, dat het heerlijck leven in verquisten bestond, ende stack tot de ooren toe in de schulden…” Ook ketterse boeken, schotschriften en beledigende gedichten, die overal werden aangeboden ziet hij als een bron van kwaad.

Het derde deel wijdt Pater Mijleman aan de staatkundige zowel als de religieuze stand van zaken in de Ommelanden. Allereerst maakt hij duidelijk wat men onder ‘Ommelanden’ dient te verstaan: “…is dat deel, ’t welcke tusschen de revieren Lauwers ende Eems van oost tot west sig verstreckt, noordwaerd van Groningen liggende.” Na een wat algemene beschrijving van het gebied, schenkt hij uitvoerig aandacht aan de stad Appingedam.

In deel vier komt Hunsingo - Hunsingoquartier - aan bod. Hij bespreekt achtereenvolgens Appingedam (in zeer algemene termen), zegel van de stad Groningen, zegel en wapen van de Ommelanden, zegel en stadswapen van Appingedam, wapen van het landschap Drenthe, Farmsum, Solwerd bij Appingedam, Katmis bij Holwierde en het Oldenclooster, de Oosterwijtwerder kerk, Leermens, ’t Zand, Zeerijp en Loppersum.

In het vijfde deel wordt het Fivelingoquartier besproken. Hij begint met Uithuizen, daarna volgen Uithuizermeeden, Stenhuisheerd (Staenhuisheem), Usquert, de boerderij Kruisstee, Rottum, het klooster Bethlehem bij Rottum, Middelstum, Huizinge, Westerwijtwerd, Stedum, Thesinge en Bedum.

Er zijn nog 6 bijlagen toegevoegd. In bijlage A vertelt hij over het Sintmaarten- en Sinterklaasfeest, in Bijlage B over zijn persoonlijke verplichtingen, zoals nachtelijke vergaderingen, het opdragen van de mis, dopen, kortom zielzorg in het algemeen. In Bijlage C vindt men een lijst van de inboedel van Franciscus Mijleman, kerkelijke zowel als huiselijke, op het land en in de Stad.

“Ommelands Eer” en Thesinge.
Op enig moment in zijn leven besloot Pater Mijleman een verslag te maken van zijn bevindingen tijdens zijn tochten door zijn werkgebied, dat zich uitstrekte van Warffum tot aan de Dollard, met Uithuizen als uitgangspunt. Hij maakte aantekeningen betreffende een aantal kerken en kloosters welke hij op zijn tochten bezocht en geeft commentaar op vele zaken die hem opvallen. Het boekje bevat tal van historische gegevens over katholieke bouwwerken en bezittingen, maar voor Mijleman is dit slechts een middel tot zijn doel: zijn Ommelander katholieken een hart onder de riem steken. Hij wil hen weer met vertrouwen in het aloude katholieke geloof vervullen, een eerste vereiste in een geïsoleerde landstreek, waar de katholieken een bijna te verwaarlozen minderheid waren geworden.

oe-pagina.png

Mijleman schat het aantal katholieken in zijn werkgebied op ruim 600; Uithuizen stond met 213 katholieken aan de top.

Ten tijde van Pater Mijleman’s stiekeme bezoek aan het klooster Germania was de kloosterkerk er nog in zijn oorspronkelijke vorm: een kruiskerk (lengte 42 meter, breedte 23 meter), maar bouwkundig in zeer slechte staat. Pas in 1798 werd de kloosterkerk grotendeels afgebroken; het koor bleef behouden, het dak werd ‘vier el’ verlaagd en er werd op het dak een klokkentorentje gebouwd. Kort na 1627 werden de resten van het klooster (dus niet de kerk) afgebroken en de materialen naar de stad Groningen afgevoerd om te worden gebruikt voor de bouw van een munitiedepot en het stadhouderlijk hof. Pater Mijleman bezocht de kerk in 1641 en doet 23 jaar later, in 1664, verslag in zijn “Ommelands Eer”.

Ick heb aldaer over 23 jaeren noch het olde orgel gesien. Temidden voor het beschot van de choor:”Sancte Benedicte pater ora pro nobis.” De choorzetels, swaer van holt uutgesneden nae gewoonte, stonden der noch al. Nota. Onder het heilige cacramentshuusjen een engel, utgehouwen uut zarck, uutvliegende, in sijne handen houdende dit opschrift:”Hic servatur verum corpus natum de Maria virgine.”.

De Latijnse teksten luiden:”Heilige vader Benedictus, bid voor ons” en “Hier wordt bewaard het ware lichaam, geboren uit de maagd Maria.” Een sacramentshuisje is de plek waar de hosties worden bewaard.

oe-titelblad.png

Pater Mijleman heeft in zijn “Ommelands Eer” niet gestreefd naar volledigheid; hij schetst slechts een beeld van zijn tocht door het Groninger land en wat hem daarbij opvalt:
…de weg gaat steeds te voet, omdat ik het slootjespringen ontwend ben, daar ik vóór twintig jaar mijn arm heb gebroken op weg naar een nachtelijke bijeenkomst; zo moet ik mij bovenmatige inspanning getroosten langs omwegen en oneffen paden! ….Van een paard maak ik nimmer gebruik, want dan zou ik, die hier op ’t land zeer bekend ben, langs de openbare wegen en door de kommen der dorpen moeten rijden. …Onverwacht bij zieken geroepen te worden of om kinderen te dopen, is buitengewoon vermoeiend, ja ’t vermoeiendste van alles, omdat men dan dikwijls nog niet uitgerust is van voorafgegane vermoeienis bij dag of bij nacht….

(Uit Bijlage B “Ommelands Eer”, vertaald uit het Latijn)

oe-omslag.png

Fragment van een Kroniek

geschreven te Thesinge (Rijksarchief Reg. Feith 1500, 54)

Rond 1840 vond een zekere Ds. P. Boeles uit Noorddijk als kaftvulling in een boek een document dat geregistreerd staat als “Fragment eener Kroniek, geschreven te Thesinge”. Het zijn slechts twee velletjes met tekst, waarin verslag wordt gedaan van allerlei oorlogshandelingen en wapenfeiten in onze regio in de 16e eeuw. Deze toevalstreffer wordt bewaard in het Groninger Archief.

Dr Boeles
In Noorddijk, bij Lewenborg staat een prachtige kerk. Op het kerkhof is een gietijzeren grafmonument te vinden ter nagedachtenis aan Dr. P. Boeles (1795 – 1875), predikant en publicist. Hij vertaalde delen van het Nieuwe Testament in het Fries en verzamelde materiaal voor een Groninger dialectenwoordenboek, dat werd gepubliceerd onder de titel “Idioticon Groninganum”.

Fragment eener Kroniek, geschreven te Thesinge

De tekst luidt als volgt:

Int jaer ons heren doe men screef dusent vijfhudert
en ses en dertich doe was mey dach vertyn dage nae
paesche des maendages, en des saterdages daer to vore
so qua meynert va de ha oec genomet scuppe
conynck in den da1. En de stat noch lant wyste nyet
dan guede vrentscap en do queme se des hillige cruces
avet de do was op een dinxdach voer de stat en bran-
den en rovede voer oest poerte en voer poel poerte dat
daer nyet een huus staende bleef en oec worde daer mede
v brat2 vyr kynder, hyr nae wert heer schenck
ingehaelt des doenradages na pyxtere to hulpe der stat en
lande de do bynen twe dagen myt syn heer voer den da
treckede en wed’ voert3 daer na des soendages als oct’
va pyxtere4 als der hilligher drivoldicht dach so qyeme
meyners volc wt de dam en hebbe de schone kercke va
bedu also ellendelike vbrant en vdorve myt weemhove
en daer worde do vbrat et kerspe5 by drehundert
husen en berovede se de kercke va kelcke en orname-
ten en voeral neme se dat weerde hillige sacramet en
smetet wt de syborie of busse6 en daer was een guet olt
preest7 de nam dat weder op myt reverecie in
ene syde doec en doe des maendages do brande se nye
cloestr en voer desse tyt en na desse tyt so hebbe
se noch grote schade gedae myt roef en brant in den
lande. En in ’t selve jaer ano d’15 xxxvi do wa
jurgen schenck8 dame op Ste magn’ef’dach.
ste mauricius dach doe wort wedde gewone va her
jurgen Schenck ao d’m vcxxxvi ( ao d’15 xxxvi op ste
mertes9 avet doe wa her jurgen scheck koverde
op ste andreas avet ao d’m vc xxxvi doe wort kynchorst
gewo10. Int jaer os here m iiiic xcviii op witted ore-
dach qua fox adwt11 en brade en roefde en wort (Aduard)
wed’ wt de lade gecoft mit xxxiiim golt gen12 in de selve
tyt so liepe hyr xxiiii susters wt va anxste en
worde va ose wdigen hen joha wyck op mey avet wed’
wt dat sticht to huus gebracht. Item des jaers --- 13
miiiixcix wort fox geslagen vanign14. En wort doet to gro-
nigen gebracht. Ite int jaer ons here m vc op ste peter
vicule dach do qua hertich albi15 va sasse voer
gronigen en lach daer voer iii weke en scheide va daer
mit grote scade, wat he wort daer doet schote mit mer
grote here. Int jaer os here m vci worde ose gronigers
vmordet voer de da va greve16 edsert bert to17 egbt
conic evert hoerke reyt hui gevagen. Ite
des jaers daerna worde de dasters vslage op s mari magn
dach18 van de sassers. Ite Int jaer m vc en ses doe
wort greve edsert va emde op meydach ghehuldet to
gronygen. Item des dages p’n titas marie19 do me scref
m iiiic sestich en achte doe vel ste mertens tore bi
nachte s.d. 1541

1 Dam, Appingedam
2 verbrand
3 weder voort
4 25 Mei
5 kerspel
6 Ciborium, Kelk
7 priester
8 Jurgen, Jurich, Jurriaan of Georg Schenk
9 St.Maarten, 11 November
10 gewonnen
11 Aduard
12 33.000 goudguldens
13 moeilijk leesbaar, waarschijnlijk daer na int jaer
14 gevangen?
15 1 Augustus
16 voor den Dam van Graaf
17 Edsard berend toen
18 Maria Magdalena 22 Juli
19 post nativitatis Mariae

geschrift.jpg

Groninger Volks-Almanak
In 1954 ging de bekende Groninger historicus W.J.Formsma in de Groninger Volks-Almanak nader in op dit unieke document. Hij concludeerde aan de hand van de schrijfstijl dat er twee geschiedschrijvers waren. De eerste heeft zich beperkt tot Meinhart van Ham en Jurriaan (of Georg) Schenk, de tweede tot Nittert Fox, de Saxers en de val van de Martinitoren. Er is geen goede chronologische volgorde. Formsma verwijst voor wat betreft de personen en gebeurtenissen naar eerdere Almanakken.

Meinert van Ham
Citaat uit de Groninger Volks-Almanak van 1839:
“In tijd van nood had de stad Groningen de bescherming van den Hertog van Gelder ingeroepen en deze had daarvan gaarne gebruik willen maken, om dit geheele gewest onbepaald te beheerschen. Zoo zocht hij ook op eene bedekte wijze het huis van Bourgondiën hier afbreuk te doen, door op naam van Christiaan III eenig volk onder Meinhart van Ham in de Ommelanden te doen vallen. Deze Meinhart werd ook genoemd scuppen conyng. Deze bijnaam had hij gekregen omdat hij Stad en Lande had aangeschreven om met schoppen of spaden naar Den Dam (Appingedam) te komen om aan den vestingwerken te arbeiden.
Eerst ontkende de Hertog van Gelder, dat Meinhart op zijn last Appingedam bezet had, maar weldra bleek het duidelijk, omdat hij Berend van Hakfort die te Esens in Oostfriesland lag, gelastte zich bij Meinart te voegen. Nu zagen de Groningers weldra in dat men met zulk een ’trouweloozen vorst’ niet handelen konde, en zij erkenden terstond het huis van Bourgondiën in den persoon van Keizer Karel voor hunnen heer. Het gevolg hiervan was dat Jurriaan of Georg Schenk, Heer van Tautenburg en Stadhouder van Friesland weldra met eene aanzienlijke krijgsmagt tegen Meinhart te velde trok en hem uit ons gewest verdreef. Deze overwinning werd echter niet behaald dan nadat Meinhart nog vele strooptochten gedaan had en onder andere de dorpen Bedum, Tjamsweer, Solwert en Tjukwert in brand gestoken had. Schenk veroverde Appingedam en legde er bezetting in onder bevel van Hans Hesse totdat de landvoogdes Maria gelastte de vesting te sloopen”.

Georg Schenk
Wederom een citaat uit de Groninger Volks-Almanak:
“Georg Schenk, Heer van Tautenburg, heeft zich zoo voortreffelijk van de hem opgedragen last gekweten, dat hij daarvoor het Stadhouderschap over Stad en Lande verkregen heeft, hetwelk hij, benevens het Stadhouderschap over Friesland en Overijssel, tot aan zijn dood (1540) bekleed heeft. Bovendien werd hij beleend met het slot te Wedde en de Heerlijkheid van Westerwold.”

Fox (Ook wel: Neithart of Nittert Fuchs)
De Groninger Volks-Almanak van 1839 vermeldt vanaf bladzijde 40:
Het gewest Oostergo (Vetkoopers) had in 1491 een verbond gesloten met Groningen. De Schieringers werden door hen in Friesland (Workum, Dokkum, Sneek, Leeuwarden) verslagen. Dezen vroegen en kregen hulp bij Hertog Albert van Saxen. De Hertog zond Kolonel Nittert Fox en zijn soldaten naar Friesland. Sneek en Slooten werden veroverd. In Slooten hadden de Vetkoopers een krijgsmagt verzameld van 4000 man sterk. Hiervan vielen 1400 man door het zwaard of zakten door het ijs en verdronken. Fox raakte zwaar gewond. Hij sloeg zijn bivak op in Sneek. Deeze stad wilde hem na eenige tijd graag kwijt, daar zijn verblijf zwaar druk op de stadskas. Fox ging weg tegen betaling van 8000 Rijnsche guldens.
Hij verliet daarna Friesland.
Nog datzelfde jaar keerde hij terug, omdat de Vetkoopers opnieuw lastig werden. Fox stapte met 800 man nabij Harlingen aan wal. De Vetkoopers sloegen op de vlucht naar Leeuwarden, daarbij al hun zwaar geschut achterlatend, o.a. een groot stuk “de Zwarte Geert”, waar Franeker zich over ontfermde. Na verovering van eenige Friese steden keerde Fox terug naar Hertog Albert.
Hertog Albert wilde zich graag nestelen in de door Fox veroverde gebieden en daarom ging Fox, 4000 man sterk. In 1498 opnieuw op pad, nu naar Groningen. Hij stak de Lauwers over en vestigde zijn hoofdkwartier in de Abdij te Aduard. Fox was al anti-Groningen, maar raakte verbitterd toen een van zijne hoofdlieden, Jurjen van Reijnsberg, met 15 man te Noordhorn werd doodgeslagen. Als represaille werden Noordhorn en Zuidhorn platgebrand, naast nog enige andere huizen in de omgeving. Hij belegerde Selwerd en de Groningers konden Fox niet weerstaan. Net zoals in Sneek probeerden ze hem af te koopen. Afkoopsom: 2300 Rijnsche guldens, te betalen binnen veertien daagen. Alle geroofde goederen plus 2000 stuks vee mocht hij behouden. Fox probeerde het gestolen vee om te ruilen tegen 1 Davies gulden per stuk – een zeer hooge prijs. Als zekerheid kreeg Fox de beschikking over drie gijzelaars uit de stad en drie van het platteland. Fox ging weg naar Dokkum met al het genoemde plus 100 gevangenen. De Groningers leenden 4500 Rijnlandsche guldens van Graaf Edzard van Oostfriesland en de betaling werd waarschijnlijk verricht bij Ludingakerk, een klooster onder Midlum bij Harlingen.
De Groningers zonnen op wraak en tesamen met Leeuwarden werd Fox, vruchteloos, zes weken lang belegerd. Leeuwarden beloofde na afloop trouw aan Hertog Albert van Saxen. Fox werd Stadhouder over Friesland ten westen van de Lauwers.
Hertog Albert wilde Groningen ook onder zijn beheer en sloot een verrassend verbond met Graaf Edzard van Oostfriesland.
Om een oorlog uit te lokken eiste Edzard het aan de Ommelanden geleende geld waarmee Fox was afgekocht terug en van de Stad eiste hij het geheele Oldambt. Rechters werden ingeschakeld, terwijl Edzard, alsook de Groningers zich op de oorlog voorbereidden. Farmsum, Oterdum, Reide en Watum werden bezet, sterke huizen van Ommelander Heeren, die de kant van Edzard kozen, werden geplunderd en gedeeltelijk verbrand.

Hevige strijd
De schermutselingen namen toen een aanvang. Appingedam werd in staat van verdediging gebracht. Een leger van 2800 manschappen, door Edzard gezonden, brandschatte een deel van Winschoten, dwong het Oldambt Edzard als Heer te accepteren en trokken daarna naar Wittewierum, alwaar zij zich legerden. Appingedam zag zijn bezetting naar de stad vluchten
En de stad werd terstond door de Ommelander Heren (die pro-Edzard waren) ingenomen.
Fox kwam spoedig te hulp. De 19e juli 1499 kwam hij naar Groningen met 350 goedgetrainde manschappen en drie stukken geschut. Edzard zat in Den Dam (=Appingedam) en Fox naderde via Drenthe. Te Kolham legerde hij zich. Duizend Groninger soldaten zetten de aanval in, waarbij er dertig doden vielen aan de zijde van Fox. Honderdvijfentwintig soldaten werden gevangen genomen, de rest sloeg op de vlucht.

De dood van Fox
Fox was gewond geraakt, maar liggende op zijn knieёn vuurde hij zijn manschappen aan. Ten langen leste werd hij, daar hij zich niet wilde overgeven, met het zwaard nog in de hand afgemaakt. Uit respect voor zijn krijgsvakmanschap werd Fox’ lijk door de Groningers meegevoerd en begraven in het koor van de Franciscaner of Minderbroederkerk, nabij het grote St. Maria Magdalena altaar. Het grafschrift luidt:

Hier leit den held
Wiens herte noyt besweek
Nog in het veld
Oyt voor zijn vijand week:
Die, als hij zag
Zijn Volk verslagen wert,
Vogt, daar hij lag,
Nog met een manlijk hert

Getijdenboek

28 oktober 2003 is alweer een tijdje geleden. Het was de datum waarop in de Universiteitsbibliotheek van de Rijksuniversiteit Groningen het publiek kon kennismaken met een nieuwe aanwinst: een rijk gedecoreerd manuscript, dat rond 1500 in het klooster Germania in Thesinge was vervaardigd.
Het handschrift is een op perkament geschreven gebedenboek in het middelnederlands.

Het opent met de getijden (=gebeden op vaste tijdstippen) tot alle heiligen. Dan volgen een serie gebeden, ingedeeld volgens het kerkelijk jaar – van Kerstmis tot Pasen – en enige reeksen gebeden tot een groot aantal heiligen. Het gebedenboek telt 138 bladen en is 11 x 16 cm groot. De randversieringen zijn de ‘vingerafdruk’ van het manuscript. Ik citeer Prof. Dr. Jos Hermans: “Een Gronings handschrift herken je aan ’t penwerk, aan de kriebellijntjes in de marge, zeg maar het getierelier in de marge.” De illustrator is waarschijnlijk de non Stine Duthmers, hoewel in een vergelijkbaar ander getijdenboek (Groningen, UB Hs. Add.274) ook de naam ‘Frans Maler’ wordt genoemd. Prof. Hermans suggereert een taakverdeling.

illustratie1.jpg

Er zijn zestien grote initialen (beginletters) met geschilderde en van bladgoud voorziene randdecoraties en tientallen decoraties in de marges. De stijl en het kleurgebruik van deze versiering, waarin vele bloemen, planten en vogels duiden op werk uit het Thesinger schrijfatelier: het klooster Germania.
Dit recent verworven manuscript werd aangeboden door een nederlandse antiquaar. Het bevond zich in de eerste helft van de twintigste eeuw in een particuliere collectie in Chicago, onder de aanduiding: “Prayers in Dutch”.

De Heilige Ontkommer
Interessant is, dat het getijdenboek een tekst bevat over de heilige Ontkommer. Tot nu toe werd aangenomen, dat die heilige veel zuidelijker werd vereerd, met name in Vlaanderen.
In de Encyclopedie der Hollandse Heiligen wordt haar verhaal uit de doeken gedaan.
Ze is bekend onder vele namen, onder andere: Sint Ontcommer, Comera, Cumerana, Dignefortis, Eutropia, Hulfe, Komina, Kummernis, Livrade, Liberata, Ontcommere, Reginfledis, Snoromber, Uncumber, Wilgefortis. Haar feestdag of naamdag is 20 Juli.

De legende presenteert haar als de Christelijke dochter van een heidense of Islamitische koning van Portugal. Ze was buitengewoon mooi. Een naburige, heidense koning wilde met haar trouwen en haar vader gaf toestemming. Ontkommer was hierdoor zeer bedroefd, temeer omdat zij een gelofte van kuisheid had afgelegd en ‘bruid van God” wilde worden.
Haar vader had geen begrip voor haar motieven en om haar te dwingen toch te trouwen sloot hij haar op in een kerker. In haar diepste ellende bad zij tot God, dat zij zo zou veranderen, dat niemand haar meer wilde hebben. Toen zij uit de kerker werd gehaald voor het huwelijk bleek dat al haar schoonheid was verdwenen: zij had een volle snor en baard gekregen.
Haar vader was woedend en vroeg haar wat er was gebeurd. Zij antwoordde, dat degene die zij aanbad haar zo had veranderd, om te voorkomen dat zij een heidense koning moest trouwen. “Dan zal je sterven als de persoon die jij aanbidt”, was zijn antwoord. Bedeesd zei ze, dat het haar grootste wens was één te worden met Hem en daarop liet haar vader haar kruisigen. Aldus werd een zuivere vrouw geofferd om haar Christelijke principes.

Vele mensen waren diep geroerd door dit verhaal en overal werden afbeeldingen van haar geplaatst, zelfs op een plek een heiligenbeeld van puur goud.
Eens bezocht een arme minstreel de kerk met de heilige Ontkommer. Hij had de hele dag niets verdiend en stierf bijkans van de honger. Omdat hij niets anders had speelde hij zijn gebeden op zijn viool voor Ontkommer. Steeds klaaglijker klonk zijn spel, totdat zij op het laatst een van haar gouden schoenen uitschudde en hem smeekte die als een aalmoes te aanvaarden.

De minstreel bracht de schoen naar de goudsmid om hem te verkopen, maar, nadat deze de schoen had herkend, weigerde hij en beschuldigde de minstreel van diefstal en heiligschennis.
Luidkeels beleed de minstreel zijn onschuld en nog luider riep de goudsmid dat hij een dief was. Het hele dorp stroomde toe en begon zich ermee te bemoeien. Als een oude, wijze kluizenaar niet had ingegrepen, had men de minstreel gelyncht. “Als hij eerlijk aan de schoen is gekomen door zijn vioolspel, dan moet hij nogmaals spelen voor de andere schoen, en wel zodanig dat wij het kunnen zien”, sprak de kluizenaar. De minstreel werd naar de kerk gesleept, waar hij trillend van angst begon te spelen: hij was al stomverbaasd geweest om de eerste schoen en had volstrekt geen vertrouwen in een nieuw succes. Hoe hij ook speelde, er gebeurde niets. Het volk werd onrustig, de wanhoop van de minstreel nam toe: nog klaaglijker werd zijn spel, nog hartstochtelijker zijn inzet, totdat hij tenslotte bewusteloos ter aarde stortte. Maar toen hij werd opgebeurd zag men dat de tweede schoen niet meer aan de voet van Ontkommer zat: zij had de minstreel de schoen toegeworpen. Toen men dat zag deed eenieder zijn uiterste best het weer goed te maken met de minstreel, die de rest van zijn leven geen honger meer zou kennen.

Verspreidingsgebied

illustratie2.jpg

Deze heilige werd – onder verschillende namen – vereerd in een groot deel van Europa. In Engeland kende men haar als St. Uncumber; zij kon worden aangeroepen door vrouwen die problemen hadden met hun echtgenoten. In deze versie heeft de naam ook betekenis: “Kümmernis” komt van “Kummer”, verdriet, bedroefdheid, wellicht ook een verwijzing naar het klaaglijke vioolspel van de minstreel. In Oostenrijk is de legende vooral bekend in Tirool.
Ook in Portugal heet zij Uncumber. Daar stelt men dat ze was uitgehuwelijkt aan de koning van Siciliё.

Spanje kent haar als Liberada, Italiё als Liberata, Frankrijk als Liverade en Beauvais in Frankrijk als Dèbarras.
Van de naam “Wilgefortis” heeft men lang gedacht dat die was afgeleid van “Virgo fortis” (sterke maagd), maar nu wordt aangenomen dat het een verbastering is van “Hilge Vartz” oftewel “Heilig Gezicht”.
De variatie’s op “Ontkommer” gaan terug op het Duitse “ohne Kummer”, zonder zorgen.
De heilige werd in het bijzonder aangeroepen in het stervensuur, om onbezorgd te mogen sterven.
De verering van deze heilige begon zich met name te verspreiden in de 15e en 16e eeuw.

Even is gedacht dat er een verbintenis was met eeuwenoude vereringen en rituelen op Cyprus en elders, waarbij een hermafrodiet (twee geslachten in een persoon) centraal stond; het gekruisigd zijn is echter duidelijk uit een latere tijd.
In Nederland wordt zij tot op heden vereerd in diverse plaatsen in Brabant, zoals Alphen en Waalre. De vondst in het Thesinger getijdenboek maakt duidelijk, dat zij ook in het noorden bekend was.

De afbeelding

illustratie3.jpg

Haar afbeelding –een vrouwenfiguur met snor en baard, aan het kruis genageld, niet ouder dan tien of twaalf jaar – kan verklaard worden uit een foutieve interpretatie van een afbeelding van Christus. Het was gebruikelijk de gekruisigde Christus af te beelden met ontbloot bovenlijf, slechts gekleed in een lendendoek. In het Italiaanse Lucca hangt de beroemde “Volto Santo” van de schilder Nicodemus (11e eeuw), waarop Christus met een jurk staat afgebeeld. Tot aan de elfde eeuw was het gebruikelijk de gekruisigde Christus af te beelden in een lange tunica, daarna werd het de lendendoek. Kopieёn van de afbeelding van de Volto Santo werden in de eeuwen daarna niet langer herkend als de Christusfiguur, maar als een vrouw met een baard die aan het kruis het martelaarschap verwierf. Toen de cult van Ontkommer zich in de 15e eeuw verspreidde, werd zij door pelgrims in de Volto Santo ‘herkend’.

Felicitas

De kloosterkerk wordt aangeduid met de benaming Felicitaskerk - op een blauw bordje, links van de deur. Een onjuiste benaming, want het suggereert een type kerk. Het zou beter zijn geweest te vermelden dat de kloosterkerk aan de H. Felicitas is gewijd. Pas eind vorige eeuw is bekend geworden dat zij de patroonheilige van het klooster Germania was.

Felicitas, de Patrones van het Klooster Germania

Een middeleeuws getijdenboek - getijden zijn aan bepaalde uren gebonden gebeden - gaf pas in 1988 de naam prijs van de patrones van het klooster in Thesinge. Dankzij de oplettendheid van professor James H. Marrow van de universiteit van Berkeley in Californië, is haar naam bekend. Hij vond het boek op een veiling in Londen bij het beroemde veilinghuis Sotheby's en schonk het vervolgens aan de Rijksuniversiteit Groningen. Het Nieuwsblad van het Noorden schreef erover op 28 december 1989 en op 26 oktober 1990.

De Heilige Felicitas staat afgebeeld op het abtszegel van het klooster Germania. Het loden zegel zelf is verloren gegaan (blijkens een in afschrift bewaard gebleven acte, d.d. 16 november 1594 is het zegel in 1581, bij een overval van 'Staatsch krijgsvolk" door de priores verstopt in een molshoop en niet meer teruggevonden), maar het Rijksarchief bezit nog een wasafdruk in groene was met een middellijn van 4 cm. Afgebeeld is een vrouwenfiguur in een nis. In haar rechterhand houdt ze een palmtak (symbolerend dat ze een martelares is). Er omheen zijn zeven hoofden in kleinere nissen zichtbaar. Het randschrift luidt: S(igillum) conventus ….ssinghaclaustro. Het zegel hangt aan een document waarmee het klooster aan het klerkenhuis te Groningen wat land overdraagt, Rokesweer genaamd, liggende bij het land Waschhuis. Datum: 26 november 1472, daags na St. Katharina.
In het getijdenboek staat bij de datum 10 juli het feest van "die soeven broders" genoteerd, met daarbij in de kantlijn toegevoegd: "patronen to tesinge".

Wie was Felicitas?
Er is een aantal biografieën van deze heilige bekend, die in details van elkaar verschillen. De navolgende komt uit het boek: Heiligen en hun Attributen (Uitgeverij Seyffardt's Boek- en Muziekhandel - Amsterdam):

De Heilige Felicitas en hare zeven zonen, AD 173, 23 november.
Deze heilige was een Romeinsche, deftige, buitengewoon rijke dame, welke hare dagen doorbracht met liefdadigheid te beoefenen jegens de armen, en met de zorgvuldige opvoeding harer zonen. Nadat haar heilig voorbeeld velen tot het omhelzen van het Christelijk geloof gebracht had, werd ze aangeklaagd bij den Prefect, en voor diens rechterstoel geleid. Toen deze inzag, dat zij met geen mogelijkheid er toe te brengen was, om aan de afgoden te offeren, begon hij haar zoons te bedreigen, meenende dat hij haar op die manier er toe zou kunnen bewegen. Doch zij spoorde hen ernstig aan, dat zij liever moesten sterven, dan daarin toe te geven; waarom ze een voor een voor hare oogen ter dood gebracht werden. Januarius, de oudste, werd gegeeseld met riemen met looden knopen; Felix en Philippus werden doodgeslagen met knotsen; Sylvanus werd van een rots geworpen; Alexander, Vitalis en Martialis werden onthoofd. Hun moeder, die hen versterkt en ondersteund had ten einde toe, smeekte alleen, dat zij hen spoedig in den dood zou mogen volgen; doch ze werd nog eerst vier maanden in de gevangenis gehouden, waarna ze eveneens onthoofd, of volgens het verhaal van anderen, in een ketel met kokende olie geworpen werd.

Historische verantwoording.
De oudste lijst van Romeinse martelaarsfeesten, de Deposito Martyrum, dateert uit de tijd van paus Liberius, het midden van de 4e eeuw. In de in die lijst voorkomende Acta Sincera - vrij vertaald: Waarheidsgetrouwe Verslagen - wordt het feest vermeld van de zeven martelaren, op 10 juli. In de 6e eeuw geeft Gregorius de Grote details: hij vermeldt dat zij gevangen werden genomen tijdens de regering van Keizer Antoninus en moesten terechtstaan voor vier rechters. Na hun terechtstelling werden zij begraven in vier verschillende grafkelders. Felicitas werd bijgezet in de grafkelder van een zekere Maximus aan de Via Salaria in Rome, bij haar zoon Silanus ( in een andere versie Sylvanus genoemd).
Tot voor kort werden de Acta Sincera als betrouwbaar beschouwd, maar nieuw onderzoek heeft uitgewezen dat de eerste vermeldingen van deze Acta niet op een Romeinse maar op een Griekse bron berustten. Was Felicitas wel echt de moeder van de zeven martelaren? Haar naam komt niet voor op die oudste Romeinse kalender. Haar feest wordt voor het eerst genoemd in de Martyrologium Hieronymianum, maar op een andere datum - 23 november.
Op die datum hield Gregorius de Grote een preek ter nagedachtenis aan Felicitas. Boven haar graf werd een kerk gebouwd. De grafkelder werd vergroot tot een onderaardse kapel, die in 1885 werd herontdekt. In de achterwand van die kapel bevindt zich echter een 7e eeuwse fresco van Felicitas EN haar zeven zonen met daarboven Christus die hen de Eeuwige Kroon geeft.
Ook zijn er historische verwijzingen van eerdere datum dan de reedsgenoemde Acta, zoals een 5e eeuwse preek van Sint Pieter Chrysologus en een grafschrift, geschreven door paus Damascus (gestorven in 384) waarin verwezen wordt naar de vrouw die stierf met haar zeven zonen..
De verwarring over de data kan zijn ontstaan door het feit dat naast het graf van Felicitas het graf van Silanus, een van de zeven martelaren, lag. Van de zeven martelaren - de soeven broders - is de datum 10 juli. Wellicht heeft de tijd en de traditie ervoor gezorgd dat de zeven martelaren de zeven zonen van Felicitas werden, waarop de Acta Sincera zich heeft gebaseerd.

Agenda
mei 2013
Ma Di Wo Do Vr Za Zo
    1 2 3 4 5
6 7 8 9 10 11 12
13 14 15 16 17 18 19
20 21 22 23 24 25 26
27 28 29 30 31    
juni 2013
Ma Di Wo Do Vr Za Zo
          1 2
3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16
17 18 19 20 21 22 23
24 25 26 27 28 29 30
Binnenkort in Thesinge
22 mei 2013
Gemeenteraad over herindeling

Bijeenkomst in Trefpunt over herindeling. Aanvang 19.30 uur. Kijk op de pagina van Dorpsbelangen voor meer informatie.

Historie: Archief
Foto van de maand
koninginnedag 2013 dijkteam.jpg
Zoek op thesinge.com
Hou me op de hoogte
Wil je een email ontvangen als er nieuwe berichten op Historie verschijnen? Geef hier je emailadres op.